Duits : Nederlands anstrengend = inspannend / vermoeiend die Ära / die Epoche = het tijdperk das Jahrhundert = de eeuw der Lärm = het lawaai die Lösung = de oplossing die Marke = de grens der Ort = de plek / de plaats schwer = moeilijk umweltfreundlich = milieuvriendelijk verspätet = vertraagd das Wachstum = de groei die Zukunft = de toekomst der Zweig = de tak anhalten = voortduren allenfalls = hoogstens / desnoods demnächst = binnenkort eintreten = plaatsvinden / intreden erstellen = opstellen / maken erzeugen = veroorzaken / teweegbrengen gewissermaßen = als het ware / welhaast haltbar = verdedigbaar / houdbaar der Kunde = de klant nutzbar = te gebruiken die Rückschau = de terugblik unzureichend = onvoldoende das Verhalten = het gedrag die Vorraussetzung = de voorwaarde der Wohlstand = de welvaart besiegen = overwinnen / verslaan der Erreger = de verwekker fehlen = ontbreken / missen heilen = genezen die Heilung = de genezing kostengünstig = voordelig / goedkoop obwohl = hoewel vernachlässigen = verwaarlozen der Wandel = de verandering abnehmen = afvallen die Begegnung = de ontmoeting ersetzen = vervangen die Flüssigkeit = de vloeistof der Forscher = de onderzoeker / de wetenschapper innerhalb = binnen der Körper = het lichaam / het lijf lediglich = slechts / alleen maar leuchten = oplichten der Nachschub = de bevoorrading der Nachwuchs = de nieuwe generatie / de nakomelingen schmusen = knuffelen schwänzen = spijbelen die Unterhaltung = het amusement / het vermaak das Weltall = het heelal ausharren = volharden / volhouden bringen = opleveren sich einfügen = zich aanpassen einstellen = beëindigen / stopzetten entnervt = psychisch gesloopt hergebracht = traditionele sich über etwas mokieren = de draak steken met iets / iets belachelijk maken quittieren = ermee stoppen der Rabatz = de herrie rasant = stormachtig / snel rätseln = gissen / raden der Tadel = de berisping ungezogen = ongedisciplineerd / slecht opgevoed zustimmen = instemmen met / er voor stemmen die Einbildung = de verwaandheid / de arrogantie erregen = opwinden / veroorzaken die Fähigkeit = de vaardigheid / het talent der Faulpelz = de luilak hinreichend = toereikend / voldoende die Insel = het eiland das Leid = het leed / het verdriet mangelhaft = gebrekkig / onvoldoende rapide = snel die Rauflust = de agressie die Sehnsucht = het verlangen der Stundenplan = het lesrooster sich täuschen = zich vergissen versprechen = beloven / toezeggen der Wettbewerb = de concurrentie die Wirtschaft = de economie einengend = beperkend folgerichtig = consequent die Forderung = de eis ignorieren = negeren das Muss = de verplichting / de aanrader das Phänomen = het verschijnsel scheitern an = stuklopen op die Schranke = de barrière die Warnung = de waarschuwing widersprüchlich = tegenstrijdig zuständig = verantwoordelijk / bevoegd zuvor = eerder / vroeger etabliert = gevestigd ködern = lokken der Reiseveranstalter = de touroperator solvent = in staat om te betalen das Sparprogramm = het bezuinigingsbeleid die Überschneidung = de overlapping verständlich = begrijpelijk der Vorwurf = het verwijt das Alter = de leeftijd ärztlich = geneeskundig der Beschäftigte = de werknemer erschließen = ontsluiten die Reform = de reorganisatie / de hervorming im Ruhestand = gepensioneerd tätig = werkzaam das Viertel = een kwart / een vierde