Duits : Nederlands die Ernährung = de voeding fertig = klaar der Geschmack = de smaak satt = verzadigd sich leisten = zich veroorloven süß = zoet die Tasse = het kopje der Teller = het bord der Topf = de pan der Urlaub = de vakantie der Aufenthalt = het verblijf aufhören = ophouden bereits = al derzeit = momenteel erhalten = krijgen der Grund = de reden innerhalb = binnen das Lager = het magazijn rauchen = roken riesig = enorm der Samen = het zaad die Überschwemmung = de overstroming die Umwelt = het milieu vorher = van tevoren während = tijdens