Engels : Nederlands sleeping = slapen doing homework = huiswerk maken playing football = voetballen studying = studeren reading = lezen dancing = dansen tidying up = opruimen singing = zingen doing housework = het huishouden doen riding a bike = fietsen hobby = hobby to enjoy = genieten exercise = lichaamsbeweging puzzle = puzzel crossword = kruiswoordpuzzel to play computer games = computerspelletjes spelen to be in a club = op een club zitten to play an instrument = een instrument bespelen to collect things = dingen verzamelen to write a blog = een blog schrijven to take photographs = foto's nemen/foto's maken to keep a pet = een huisdier hebben to play the piano = pianospelen to collect stamps = postzegels verzamelen to play on-line games = online games spelen cooking = koken to collect autographs = handtekeningen verzamelen to write a poem = een gedicht schrijven always = altijd sometimes = soms never = nooit occasionally = af en toe often = vaak rarely = zelden usually = gewoonlijk every day = elke dag three times a week = drie keer per week once a month = een keer per maand to make videos = video's maken to have a problem = een probleem hebben to have dinner = het avondeten gebruiken to have fun = plezier hebben to have a rest = een dutje doen/uitrusten to have a good time = het naar z'n zin hebben to have a shower = douchen to have time = tijd hebben to have a hobby = een hobby hebben tidy = opgeruimd busy = druk to relax = zich ontspannen definitely = beslist strange = vreemd to smile = glimlachen positive = positief interests = interesses to pass the time = de tijd doorkomen/de tijd doden can't stand = iets niet uit kunnen staan