alone happy sad
excited yesterday yesterday morning
yesterday afternoon last night last week
last year an hour ago two weeks ago
bought (buy) came (come) chose (choose)
found (find) gave (give) got (get)
had (have) left (leave) made (make)
said (say) saw (see) stood (stand)
thought (think) took (take) went (go)
mine yours his
hers ours theirs
verdrietig blij alleen
gisterochtend gisteren opgewonden
vorige week gisteravond gistermiddag
twee weken geleden een uur geleden vorig jaar
koos (kiezen) kwam (komen) kocht (kopen)
kreeg (krijgen) gaf (geven) vond (vinden)
maakte (maken) ging weg (weggaan) had (hebben)
stond (staan) zag (zien) zei (zeggen)
ging (gaan) nam (nemen) dacht (denken)
zijn van jou/u van mij
van hen van ons van haar
intelligent cheerful jealous
helpful confident generous
easy-going funny myth
friendship stressed right now
patient to make friends to remember
happiness sorry footballer
certainly possibly score
to have an accident to save someone's life to go surfing
for the first time smile in public
to laugh
jaloers vrolijk intelligent
goedgeefs/gul zelfverzekerd hulpvaardig
mythe grappig gemoedelijk
momenteel/nu gestrest vriendschap
zich herinneren vriendschappen sluiten/vrienden maken patiƫnt
voetballer sorry geluk
score mogelijk zeker
gaan surfen iemands leven redden een ongeluk krijgen
in het openbaar glimlach voor het eerst
lachen