bicycle boat bus
car plane train
to travel country continent
been (go) done (do) gone (go)
seen (see) written (write) met (meet)
spoken (speak) eaten (eat) taken (take)
flown (fly) swum (swim) won (win)
driven (drive) tourist traveller
minibus helicopter tram
bus boot fiets
trein vliegtuig auto
werelddeel land reizen
gegaan (gaan) gedaan (doen) geweest (gaan)
ontmoet (ontmoeten) geschreven (schrijven) gezien (zien)
genomen (nemen) gegeten (eten) gesproken (spreken)
gewonnen (winnen) gezwommen (zwemmen) gevlogen (vliegen)
reiziger toerist gereden (rijden)
tram helikopter minibus
scooter underground train to fly
to miss to catch to take
to ride to drive to travel the world
to write home to appear on television other cultures
skeleton false teeth on time
village journey 45 centimetres wide
to take a risk tiny tracks
neighbour to admire
vliegen metro scooter/brommer
pakken halen missen
een wereldreis maken besturen rijden
andere culturen op televisie komen naar huis schrijven
op tijd kunstgebit skelet
45 centimeter breed reis dorp
sporen piepklein een risico nemen
bewonderen buurman/buurvrouw