(to) send an e-mail (to) make a call can (see Grammar Section 8)
(to) help from ‘kunnen' (to) access the Internet
right behind silly, stupid
of from ‘weten' (to) know
(to) stand (here: is) oh no! oh dear! it (see Grammar Section 11) / that
(to) lie, to be situated (here: is) at home information (here: Directory Enquiries)
a Dutch telephone company (to) give (to) spell
just a moment well engaged
then later or
from ‘sturen' (to) send consists of
kunnen bellen mailen
internetten kan helpen
dom achter precies
weten weet van
die o jee! staan
Inlichtingen thuis liggen
spellen geven KPN
in gesprek nou / zo (een) ogenblikje
of straks dan
bestaat uit sturen stuurt
alphabet from ‘hebben' have (see Grammar Section 8)
on (to) say how
old nearly, almost nice, enjoyable
(to) mean really what / a bit
your from ‘willen' (to) want (see Grammar Section 8)
could you? slow / slowly (to) talk, here: to speak
please from ‘zullen' will, shall
just (to) bring yes, please
in full country of origin sex
male / female strike out whichever is not applicable
hebben heeft het alfabet
hoe zeggen op
gezellig bijna oud
wat eigenlijk bedoelen
willen wil je
praten langzaam wil je / wilt u?
zullen zal alsjeblieft / alstublieft
graag brengen even
het geslacht het geboorteland voluit
doorhalen wat niet van toepassing is m / v / man / vrouw