emotion sad to move
anger angry (with) hatred/hate
proud (of) pride to envy
jealous (of) to control ridiculous
disappointed disappointment to be homesick
upset safe/secure security
affection to adore disgusting
to appreciate sincere shy/timid
to blush among stranger
ontroeren bedroefd emotie
haat boos (op) boosheid
benijden trots trots (op)
belachelijk beheersen jaloers (op)
heimwee hebben teleurstelling teleurgesteld
veiligheid/zekerheid veilig overstuur
walgelijk aanbidden liefde/genegenheid
verlegen oprecht waarderen
vreemde/vreemdeling onder blozen
strange what a shame
wat zonde vreemd