le corps la santé le docteur
le cri se passer tomber
faire mal la jambe casser
bouger le sang se sentir
avoir mal au coeur appeler le médecin
l’accident la blessure régler
l’instant grave s’inquiéter
l’hôpital les hôpitaux le médicament
se rappeler l’ambulance se calmer
de dokter de gezondheid het lichaam
vallen gebeuren de schreeuw
breken het been pijn doen
zich voelen het bloed bewegen
de arts, de dokter roepen / opbellen / roepen, opbellen misselijk zijn
regelen de verwonding / de wond / de verwonding, de wond het ongeluk
zich ongerust maken ernstig het moment / het ogenblik / het moment, het ogenblik
het medicijn de ziekenhuizen het ziekenhuis
kalmeren de ziekenauto zich herinneren
le rhume la gorge la fièvre
le pansement la crème le comprimé
le dos le ventre le coeur
le bras la main le genou
les genoux le pied l’oeil
les yeux la bouche la dent
le doigt j'ai un rhume j'ai mal à la tête
j'ai mal à la gorge j'ai de la fièvre j'ai mal au ventre
de koorts de keel de verkoudheid
de pil de zalf het verband
het hart de buik de rug
de knie de hand de arm
het oog de voet de knieën
de tand de mond de ogen
ik heb hoofdpijn ik ben verkouden de vinger
ik heb buikpijn ik heb koorts ik heb keelpijn