Frans : Nederlands l’émotion = de emotie / het gevoel / de emotie, het gevoel la blague = de grap quelle horreur! = wat vreselijk! gâté = verwend le = hem / het / hem, het la = haar / het / haar, het jaloux / jalouse = jaloers l’idée = het idee tu connais = je kent la star = de beroemdheid sérieux / sérieuse = serieus courageux / courageuse = dapper l’assistant = de assistent l’assistante = de assistente avoir la trouille = in de rats zitten / bang zijn / in de rats zitten, bang zijn se moquer de = uitlachen le couteau = het mes les couteaux = de messen lancer = gooien fermer = sluiten toi-même = jijzelf marrant = grappig cru = geloofd remonter le moral = opvrolijken l’humeur = het humeur l’équipe = het team gagner = winnen facile = gemakkelijk ravi = dolblij fier / fière = trots partout = Overal le courage = de moed ça m’inquiète = dat maakt me ongerust ridicule = belachelijk vexer = beledigen nul = waardeloos fâché = boos s’intéresser à = zich interesseren voor la chance = het geluk le test = de toets fatigué = moe crevé = doodop marquer un but = een doelpunt maken final = laatste maladroit = onhandig le plongeoir = de duikplank en haut = boven plonger = duiken redescendre = weer naar beneden gaan en plus = bovendien / ook nog / bovendien, ook nog insultant = beledigend la finale = de finale mal dormir = slecht slapen