mon / ma le père il
il s’appelle il est un acrobate
ton / ta la mère monsieur
tu aimes j’aime beaucoup
très grand le directeur
tu as le frère la soeur
j’ai il habite à
Paris la cage
avec le lion dangereux
hij de vader mijn
een acrobaat hij is hij heet
meneer de moeder jouw
veel ik houd van, ik vind leuk jij houdt van, jij vindt leuk
de directeur groot erg
de zus de broer jij hebt
in hij woont ik heb
de kooi daar Parijs
gevaarlijk de leeuw met
elle qui est-ce? elle s’appelle
attention! la surprise la famille
le grand-père la grand-mère un oncle
la tante le cousin la cousine
zij heet wie is dat? zij
de familie de verrassing pas op!
een oom de oma de opa
de nicht de neef de tante