le bâtiment une église les feux
le pont le port le rond-point
le camion le frein la forêt
le lac le détour à droite
à gauche tout droit traverser
le temps la chaleur la neige
il fait chaud Il fait du soleil il fait du vent
il gèle il pleut un aller
un aller-retour le quai le monde
de stoplichten een kerk het gebouw
de rotonde de haven de brug
het bos de rem de vrachtwagen
rechts de omweg het meer
oversteken rechtdoor links
de sneeuw de warmte het weer
het waait de zon schijnt het is warm
een enkele reis het regent het vriest
de wereld het perron een retour
la vue les gens au bord de la mer
le médecin le médicament le sang
la voix avoir de la fièvre avoir mal
être enrhumé faire mal tomber malade
bouger respirer mort
grave mauvais laid
l'avenir ce matin cet après-midi
autrefois être à l'heure être en retard
souvent tôt à la fois
aan zee de mensen het uitzicht
het bloed het medicijn de arts
pijn hebben koorts hebben de stem
ziek worden pijn doen verkouden zijn
dood ademen bewegen
lelijk slecht ernstig
vanmiddag vanmorgen de toekomst
te laat komen op tijd komen vroeger
tegelijkertijd vroeg vaak
déjà la moitié la quantité
moins environ chaque
en face de chez sous
près de partout quelque part
ailleurs dehors malgré
par contre pareil pourtant
presque sans selon
rouler emprunter à prêter à
compter devenir hésiter
de hoeveelheid de helft al
elk ongeveer minder
onder bij / naar / bij, naar tegenover
ergens Overal dichtbij
ondanks buiten ergens anders
toch hetzelfde daarentegen
volgens zonder bijna
lenen aan lenen van rijden
aarzelen worden tellen
mettre montrer oser
perdre raconter rester
rire utiliser trouver
une araignée un oiseau la souris
la ville le village la barbe
la moustache le maquillage jaune
marron mauve vert
car ou donc
durven laten zien zetten / leggen / zetten, leggen
blijven vertellen verliezen
vinden gebruiken lachen
de muis een vogel een spin
de baard het dorp de stad
geel de make-up de snor
groen paars bruin
dus of want