Spaans : Nederlands el presente = de tegenwoordige tijd yo = ik él = hij usted = u el niño = het kind ¡observa! = let op! la ventana = het raam la casa = het huis el coche = de auto el profesor = de leraar la profesora = de lerares la frase = de zin correspondiente = bijpassend del = van de el verbo = het werkwoord verde = groen el alumno = de leerling rojo = rood forma = vorm el amigo = de vriend la amiga = de vriendin el campeón = de kampioen la campeona = de kampioene el secretario = de secretaris la secretaria = de secretaresse femenino = vrouwelijk el león = de leeuw la leona = de leeuwin el gato = de kat el hijo = de zoon la hija = de dochter el doctor = de dokter el mono = de aap la mona = de apin el cantante = de zanger la cantante = de zangeres ordena = orden negro = zwart pequeño = klein el director = de directeur la directora = de directrice grande = groot el capitán = de aanvoerder la capitana = de aanvoerster el equipo = het team brasileño = Braziliaans alemán = Duits escribe = schrijf la música = de muziek bonito = mooi azul = blauw de = van / uit el sol = de zon amarillo = geel español = Spaans el hotel = het hotel mi = mijn peruano = Peruaans mexicano = Mexicaans el limón = de citroen el autobús = de bus el balón = de bal blanco = wit el avión = het vliegtuig describe = beschrijf marrón = bruin rosa = roze la puerta = de deur la cartera = de schooltas la pantera = de panter