Spaans : Nederlands debajo = onder detrás = achter delante = voor al lado = naast el gimnasio = de sportschool la escuela = de school la playa = het strand el mar = de zee la urbanización = de buitenwijk el año pasado = vorig jaar pasado = vorig a la vuelta = bij terugkomst la vuelta = de terugkeer ¡hasta pronto! = tot gauw! pronto = snel la pelota = de bal el móvil = de mobiele telefoon el ratón = de muis el desastre = de ramp coloca = leg neer el sitio = de plek la chaqueta = de jas la percha = de kleerhanger / de kapstok limpiar = schoonmaken estar por el medio = in de weg staan el partido = de wedstrijd la cometa = de vlieger el mueble = het meubel el baúl = de koffer el edificio = het gebouw el castillo = het kasteel el ayuntamiento = het gemeentehuis la plaza = het plein