Spaans : Nederlands ducharse = douchen acostarse = naar bed gaan vestirse = zich aankleden el sujeto = het onderwerp la preposición = het voorzetsel temprano = vroeg el champú = de shampoo la avena = de haver la mano = de hand el pijama = de pyjama caliente = warm a la moda = volgens de nieuwste mode la moda = de mode la chancla = de slipper el jabón = de zeep el infinitivo = de infinitief la tortuga = de schildpad la la tele = de televisie el punto = de punt la coma = de komma la mayúscula = de hoofdletter el signo de interrogación = het vraagteken el signo de admiración = het uitroepteken el acento = het accent el signo de puntuación = het leesteken