Spaans : Nederlands el pastel = de taart / het gebakje el adjetivo = het bijvoeglijk naamwoord tarde = laat pronto = vroeg la rodilla = de knie la lechuga = de sla la araña = de spin bastante = nogal la garganta = de keel los espaguetis = de spaghetti el tenis = het tennis el periódico = de krant la gasolina = de benzine roto = kapot cansarse = moe worden contento = tevreden cálido = warm limpio = schoon hace calor = het is warm el calor = de warmte la brisa = de bries agradable = aangenaam salir de paseo = een ommetje maken el paseo = de wandeling aparecer = verschijnen la distancia = de afstand el conjunto = het geheel la hoja = het blad impreso = gedrukt la longitud = de lengte designar / indicar = aanduiden poseer = bezitten