Spaans : Nederlands escucha = luister practica = oefen este = dit / deze la expresión = de uitdrukking tradúcelas = vertaal ze puedes = je kunt repetir = herhalen por favor = alsjeblieft el favor = de gunst ¿qué? = wat? significa = het betekent el reloj = het horloge lo siento = het spijt me pero = maar no = nee te = jou entiendo = ik begrijp ¿cómo? = hoe? se dice = men zegt decir = zeggen en español = in het Spaans el español = het Spaans hablar = praten más despacio = langzamer más = meer despacio = langzaam