Spaans : Nederlands lee = lees el mapa = de landkaart la ciudad = de stad la comunidad = de autonome regio la lengua = de taal oficial = officieel la capital = de hoofdstad está = is el centro = het centrum el país = het land hay = er is / er zijn autónomo = autonoom por ejemplo = bijvoorbeeld el noreste = het noordoosten el este = het oosten el sur = het zuiden el norte = het noorden el noroeste = het noordwesten