Spaans : Nederlands el indio = de indiaan la india = de indiaanse arahuaco = Arawak la montaña = de berg allí = daar la tradición = de traditie el agricultor = de boer la vaca = de koe normalmente = normaal gesproken vender = verkopen el producto = het product bordar = borduren la naturaleza = de natuur el animal = het dier la planta = de plant