Spaans : Nederlands alimentarse = zich voeden seguro = zeker la sal = het zout el conservante = het conserveringsmiddel mantener = houden en buen estado = in goede staat durante = gedurende el antioxidante = de antioxidant proteger = beschermen el oxígeno = het zuurstof el aire = de lucht con frecuencia = vaak la frecuencia = de frequentie la hormona = het hormoon criar = fokken deprisa = snel hasta = tot lo mismo = hetzelfde ocurrir = gebeuren el contenido = de inhoud llevar / contener = bevatten el resto = de rest químico = chemisch elaborado = bewerkt cuidar = letten op la salud = de gezondheid sano = gezond