Frans : Nederlands dimanche = zondag lundi = maandag mardi = dinsdag mercredi = woensdag jeudi = donderdag vendredi = vrijdag samedi = zaterdag le / la prof = de leraar, lerares l’élève (m / f) = de leerling le stylo = de pen l’agenda (m) = de agenda l’interro (m) = de overhoring apprendre = leren l’anglais (m) = Engels les maths (f pl) (mathématiques) = wiskunde l’histoire (f) = geschiedenis la géo(graphie) = aardrijkskunde la biologie = biologie l’ordinateur (m) = de computer la tablette = de tablet le lycée = de middelbare school (bovenbouw) l’école primaire (f) = de basisschool le tableau = het bord la trousse = de etui le crayon = het potlood