gratter la tête l’oeil (m), les yeux
le rhume l’oreille (f) le nez
la bouche les dents (f pl) le dos
le ventre le bras la jambe
le bouton le pied l’hôpital (m)
la fracture la cheville le doigt
le doigt de pied la santé la main
le genou le coude le corps
avoir mal à
het oog, de ogen het hoofd krabben
de neus het oor de verkoudheid
de rug de tanden de mond
het been de arm de buik
het ziekenhuis de voet de pukkel
de vinger de enkel de breuk
de hand de gezondheid de teen
het lichaam de elleboog de knie
pijn hebben aan