Frans : Nederlands j’habite (habiter) = ik woon (wonen) et toi ? = en jij? l’ami (m) = de vriend le collège (m) = de middelbare school (klas 1, 2, 3) la classe = de klas voici = dit is voilà = dat is la France = Frankrijk le pays = het land le quartier = de wijk la rue = de straat grand = groot joli = mooi / leuk il y a = er is / er zijn aussi = ook