Frans : Nederlands le garçon = de jongen la fille = het meisje l’ami (m) = de vriend l’amie (v) = de vriendin comment ? = hoe? tu t’appelles = jij heet ça va ? = hoe gaat het? ça va bien = het gaat goed merci = bedankt au revoir = tot ziens à plus = tot later possible = mogelijk qui ? = wie? moi ? = ik? toi = jij