le garçon la fille l’ami (m)
l’amie (v) comment ? tu t’appelles
ça va ? ça va bien merci
au revoir à plus possible
qui ? moi ? toi
de vriend het meisje de jongen
jij heet hoe? de vriendin
bedankt het gaat goed hoe gaat het?
mogelijk tot later tot ziens
jij ik? wie?