Frans : Nederlands marié(e)(s) = getrouwd divorcé(e)(s) = gescheiden le demi-frère = de halfbroer le voisin = de buurman la voisine = de buurvrouw la nouvelle voisine = de nieuwe buurvrouw le cousin = de neef la cousine = de nicht la chance = het geluk la maison = het huis à la maison = thuis à la campagne = op het platteland en ville = in de stad un message = een bericht demain = morgen