Frans : Nederlands je voudrais = ik wil graag mettre = aantrekken essayer = passen / proberen acheter = kopen commander = bestellen le pantalon = de broek cher / chère = duur rien = niets la soirée = het feestje Ça marche. = Dat komt in orde. demander = vragen quel / quelle = welk(e) peut-être = misschien la question = de vraag qu’est-ce que = wat