Frans : Nederlands le lecteur = de lezer la fois = de keer avoir de la chance = geluk hebben faire de la plongée sous-marine = diepzeeduiken le coup de foudre = liefde op het eerste la pluie = de regen le volcan = de vulkaan obligatoire = verplicht l’esclave (m) = de slaaf l’époque (f) = het tijdperk l’histoire (f) = de geschiedenis / het verhaal la pollution = de vervuiling le sol = de grond / de bodem pousser = groeien peut-être = misschien surement = zeker se revoir = elkaar terugzien tant de = zoveel le plus beau = de mooiste la plus belle = het mooiste consister en = bestaan uit la partie = het deel la condition = de voorwaarde passer un examen = een examen doen à partir de = vanaf avoir le droit de = mogen