Frans : Nederlands le matin = de ochtend, 's ochtends l'habitant (m) = de inwoner la guirlande = de slinger la culotte = de onderbroek accrocher = ophangen la nuit = de nacht, 's nachts apparaitre = verschijnen le coupable = de schuldige annoncer = verkondigen, melden la réaction (f) = de reactie le voleur = de dief fatigué€ = moe le cambriolage = de inbraak raté = mislukt le bruit = het geluid la punition = de straf décider = besluiten la protestation = het protest l'interdiction (f) = het verbod faire la grève = staken manifester = demonstreren protester conte = protesteren tegen déclarer = verklaren avoir raison = gelijk hebben la loi = de wet