Frans : Nederlands la confiance en soi = het zelfvertrouwen le talent = het talent l’ambition (f) = de ambitie la qualité = de kwaliteit le caractère = het karakter la discipline = de discipline l’apprentissage (m) = het leerproces le test = de test l’inspiration (f) = de inspiratie inspirer = inspireren la passion = de passie le projet = het project être capable de = in staat zijn om se développer = zich ontwikkelen organiser = organiseren visiter = bezoeken collaborer = samenwerken prendre l’initiative = initiatief nemen recevoir des commentaires = commentaar krijgen résoudre des problèmes = problemen oplossen s’adapter à = zich aanpassen aan être fort en = goed zijn in être mauvais en = slecht zijn in être motivé = gemotiveerd zijn entreprenant = ondernemend