Frans : Nederlands l’audition (f) = de auditie carrément = ronduit, beslist je suis désolé = het spijt me chanter faux = vals zingen avoir l’air = eruit zien affreux = afschuwelijk gâcher = verpesten gentil, gentille = aardig l’artiste (m/f) = de artiest(e) s’améliorer = zich verbeteren la répétition = de repetitie, de herhaling se fâcher = boos worden juste = slechts l’auditeur, l’auditrice = de luisteraar ça veut dire = dat wil zeggen tester = testen utile = nuttig le genre = het type le groupe-cible = de doelgroep s’adresser à = zich richten tot honnête = eerlijk la vérité = de waarheid l’objectif (m) = het doel gagner sa vie = in zijn onderhoud voorzien fabriquer = fabriceren