Oudgrieks : Nederlands ὁ ἄγγελος = bode Θηβαῖος = Thebaans ὁ Κιθαιρών / ῶνος = Cithaeron οὔποτε = nooit λευκός = wit ἡ σπουδή = serieuze inspanning / moeite / haast φράζω = meedelen χρῄζω + gen. = nodig hebben / verlangen τὸ τάχος / τάχους = snelheid δέδοικα (μή) (perf.) = bang zijn (dat) ἔσομαι = ik zal zijn (fut. van εἰμί) δίκαιος = rechtvaardig ἡ τέχνη = kunst / vak(bekwaam- heid) / vaardigheid ἄρτι (bijw.) = zojuist πρός + acc. = naar / tot / tegen ὁ ἥλιος = zon ὁ θίασος = thiasos τρεῖς / τρία / gen. τριῶν = drie ἄρχω = beginnen / de eerste zijn om te / (+ gen.) heersen over εἷς / μία / ἕν / gen. ἑνός = één δεύτερος = tweede τρίτος = derde καθεύδω = slapen οἱ μὲν...οἱ δὲ = sommige(n)...anderen(n) ὁ μὲν...ὁ δὲ = de een...de ander πρός + dat. = bij / tegen..aan ἡ ὕλη = hout / bos