Pools : Nederlands wniosek = aanvraagformulier (het) adres = adres (het), adressen dowód odbioru = afhaalbewijs (het), afhaalbewijzen odbierać = afhalen kawaler, panna = alleenstaand proszę = alstublieft z góry = alvast samochód = auto (de), auto’s dzięki = bedankt rozumieć = begrijp (begrijpen) przy = bij w środku, w ciągu = binnen książki = boek (het), boeken przynosić = brengen stan cywilny = burgelijke staat numer identyfikacji podatkowej = burgerservicenummer (het) okolica = buurt (de), buurten centrum = centrum (het), centrum / centra uczeń = cursist (de), cursisten podręcznik do nauki = cursusboek (het), cursusboeken wtedy = dan robić = doen Niemcy = Duitsland więc = dus rodzajnik nieokreślony = een najpierw = eerst tylko = even rower = fiets (de), fietsen formularz = formulier (het), formulieren iść = ga (gaan) data urodzenia = geboortedatum (de), geboortedatums w związku małżeńskim = gehuwd ważny = geldig gmina = gemeente (de), gemeenten liczba = getal (het), getallen w związku małżeńskim = getrouwd jej = haar podpis = handtekening (de), handtekeningen mieć = hebben Pan = heer (de), heren tutaj = hier dom = huis (het), huizen zadanie domowe = huiswerk (het) ich = hun dowód tożsamości = identiteitsbewijs (het), identiteitsbewijzen wypełniony = ingevuld zapisać się = inschrijven zapis = inschrijving (de), inschrijvingen wypełniać = invullen Twój = jouw Wasz = jullie pokój = kamer (de), kamers kantyna = kantine (de), kantines raz = keer (de) patrzeć = kijken kopia = kopie (de), kopieen dostawać = krijgt (krijgen) leżeć = ligt, liggen słuchać = luisteren ale = maar robić = maken łatwe = makkelijk więcej = meer pan = meneer (de) komórkowy, mobilny = mobiele trudny = moeilijk musieć = moet, moeten moment = momentje Holender = Nederlander (de), Nederlanders nowy = nieuwe potrzebny = nodig potrzebować = nodig hebben notować = noteer, noteren numer = nummer (het), nummers ćwiczyć = oefenen o, aby = om nasz = ons nasze = onze w porządku = orde paczka = pakketje (het), pakketjes łapać = pakt, pakken paszport = paspoort (het), paspoorten dane osobowe = persoonlijke gegevens kod pocztowy = postcode (de), postcodes recepcja = receptie (de), recepties prawo jazdy = rijbewijs (het), rijbewijzen mieszkający razem = samenwonend szkoła = school (de), scholen źle = slecht mówić = spreken numer telefonu = telefoonummer (het), telefoonummers wracać = terugkomen w domu = thuis czas = tijd (de), tijden godzina = uur (het), uren Państwa = uw dziś wieczorem = vanavond dużo = veel wysyłać = versturen dla = voor przyjaciele = vriend (de), vrienden czekać = wachten kiedy = wanneer tydzień = week (de), weken ponownie = weer miejsce zamieszkania = woonplaats (de), woonplaatsen sobota popołudniu = zaterdagmiddag (de), -middagen mówić = zeg, zeggen kłaść = zetten wiedzieć = zien do zobaczenia = ziens (tot ziens)