Pools : Nederlands miły = aardig czasami = af en toe spotkanie = afspraak (de), afspraken umawiać się = afspreken kalendarzyk = agenda (de), agenda’s tylko, sam = alleen wieczór = avond (de), avonden zawód = baan (de), banen dzwonić = belt, bellen odwiedzać = bezoeken przy, w = bij na przykład = bijvoorbeeld kino = bioscoop (de), bioscopen syn = broer (de), broers sąsiad = buur (de) / buuren / buurman (de) / buurmannen sąsiadka = buurvrouw (de), buurvouwen kolega z pracy = collega (de), collega’s kontakt = contact (het), contacten mieć kontakt = contact hebben potem = daarna później = dan wtorek = dinsdag dyskoteka = discotheek (de) córka = dochter (de), dochters czwartek = donderdag prysznic = douche (de), douches brać prysznic = douchen być = druk partner = echtgenoet (de), echtgenoten partnerka = echtgenote (de), echtgenotes najpierw, pierwszy = eerst tak naprawdę = eingelijk siebie, sobie = elkaar na chwilę, tak samo = even rodzina = familie (de), families rower = fiets (de), fietsen film = film (de), films urodzony = geboren żaden = geen temu = geleden wierzyć = geloven szczęśliwy = gelukkig rozwiedziony = gescheiden żonaty = getrouwd przyjemny = gezellig rodzina = gezin (het), gezinnen babcia = grootmoeder (de), grootmoeders dziadek = grootvader (de), grootvaders ciężko, głośno = hard jesień = herfst (de) pies = hond (de), honden idealny = ideale pomysł = idee (het) informacja = informatie (de) informować = informatie geven interesujące = interessant znać = kennen znajomy = kennis (de), kennissen patrzeć = kijken dzieci = kind (het), kinderen wnuczka = kleindochter (de), kleindochters wnuk = kleinzoon (de), kleinzoons gazeta = krant (de), kranten dostać = krijgen kierowanie = leiding (de) kierować = leiding geven wiosna = lente (de) fajnie = leuk czytać = lezen miłość = liefde jeść lunch = lunchen poniedziałek = maandag ale = maar wysyłać maila = mailen robić = maken mężczyzna = man (de), mannen kursant = medecursist (de), medecursisten pracownik = medewerker (de), mederwerkers popołudnie = middag (de), middagen tęsknić, stracić = missen matka = moeder (de), moeders rano = morgen (de), morgens centrum muzyki = muziekcentrum (het), muziekcentra noc = nacht (de), nachten kuzyn = neef (de), neven siostrzeniec, bratanek = neefje (het), neefjes brać = nemen kuzynka = nicht (de), nichten siostrzenica, bratanica = nichtje (het), nichtjes zaprzeczenie = niet nigdy = nooit rano = ochtend (de), ochtenden o = om babcia = oma (de), oma’s obchodzić się z = omgaan jeść śniadanie = ontbijten wujek = oom (de), ooms w = op iść na spotkanie = op bezoek gaan dziadek = opa (de), opa’s dzwonić = opbellen organizować = organiseren prababcia = overgrootmoeder pradziadek = overgrootvader umierać = overleden kilka = paar (een paar) park = park (het), parken dopiero = pas rozmawiać = praten podróż = reis (de), reizen związki, relacje = relatie (de), relaties oprowadzenie = rondleiding (de), rondleidingen razem = samen synowa = schoondochter teściowa = schoonmoeder teść = schoonvader zięć = schoonzoon bratowa = schoonzus od = sinds czasami = soms spontanicznie = spontaan ciocia = tante (de), tantes zespół = team (het), teams jakiś czasu temu = tijdje (een tijdje geleden) godzina = uur ojciec = vader (de), vaders urodziny = verjaardag (de), verjaardagen zakochany = verliefd zakochać się = verliefd worden czuć = voelen pełny = vol przede wszystkim = vooral ostatni = vorig przyjaciel = vriend (de), vrienden przyjaciółka = vriendin (de), vriendinnen piątek = vrijdag kobieta, żona = vrouw (de), vrouwen spacerować = wandelen dobrze = wel praca = werkt (het) pracować = werken zima = winter (de) środa = woensdag sobota = zaterdag chory = ziek szpital = ziekenhuis (het), ziekenhuizen lato = zomer (de) niedziela = zondag syn = zoon (de), zoons siostra = zus (de), zussen szwagier = zwager (de), zwagers