Pools : Nederlands sąsiadka = buurvrouw (de), buurvouwen kolega z pracy = collega (de), collega’s kontakt = contact (het), contacten mieć kontakt = contact hebben potem = daarna później = dan wtorek = dinsdag dyskoteka = discotheek (de) córka = dochter (de), dochters czwartek = donderdag prysznic = douche (de), douches brać prysznic = douchen być = druk partner = echtgenoet (de), echtgenoten partnerka = echtgenote (de), echtgenotes