¿Quién es él? ¿Quién es ella? ¿quién?
él ¡Ni idea! la idea
¿De dónde eres? ¿de dónde? Costa Rica
San José ahora Soy de …
de Ella es … ella
Tú eres de … Holanda ¿verdad?
bueno regular
pues yo fatal
Wie? Wie is zij? Wie is hij?
het idee Geen idee! hij
Costa Rica waarvandaan? Waar kom je vandaan?
Ik kom uit … nu San José
zij Zij is … van / uit
toch? / of niet? Nederland Jij komt uit …
het gaat wel nou / goed ja
heel slecht ik nou / dus