Spaans : Nederlands las / [los] = de [las] / los = de el amigo = de vriend la amiga = de vriendin ser = zijn los hermanos = de broers en zussen el hermano = de broer la hermana = de zus el recreo = de pauze charlar = kletsen con = met el compañero = de klasgenoot la compañera = de klasgenote nuevo = nieuw ellas / [ellos] = zij [ellas] / ellos = zij ser de = komen uit … pero = maar estudiar = leren / op school zitten hablar = praten / spreken el holandés = het Nederlands en casa = thuis la casa = het huis ¿no? = toch? / nietwaar? la mamá = mama siempre = altijd nosotras / [nosotros] = wij [nosotras] / nosotros = wij no = niet / geen / nee sólo = alleen ¡claro! = natuurlijk! vosotras / [vosotros] = jullie [vosotras] / vosotros = jullie también = ook aquí = hier ¿Qué tal ...? = Hoe gaat het met ...? el cole(gio) = de school la madre = de moeder Se llama … = Hij heet … / Zij heet … / Het heet … el padre = de vader trabajar = werken el hotel = het hotel chatear = chatten por internet = via internet el internet = het internet