Spaans : Nederlands Así son los chicos = zo zijn de jongens en meiden desayunar = ontbijten estar cansado (de) = moe zijn (van) contento = tevreden el curso = de cursus bueno = goed la nota = het schoolcijfer tener chispa = gevat zijn / geestig zijn atento = oplettend / opmerkzaam el idioma = de taal la palabra = het woord ser su fuerte = zijn / haar sterke kant la hora de comer = etenstijd simpático = aardig contar = vertellen el chiste = de grap nervioso = zenuwachtig deportista = sportief odiar = een hekel hebben aan estar harto de = … zat zijn el nombre = de naam la montaña = de berg o = of el río = de rivier por eso = daarom malo = slecht alegre = vrolijk parlanchín = praatgraag / kletskous activo = actief travieso = ondeugend el voleibol = het volleybal por la noche = ‘s avonds / ‘s nachts cenar = avondeten Mates = wiskunde