Spaans : Nederlands llevarse bien con = het goed kunnen vinden met llevarse mal con = het slecht kunnen vinden met Hoy no es mi día. = Het is vandaag niet mijn dag. pasar a = geven aan darse prisa = opschieten / zich haasten de sobra = genoeg / in overvloed el beso = de kus el abrigo = de jas el favor = het plezier / de dienst hacer un favor a = een plezier doen aan ¡Hazme el favor y …! = Doe me een plezier en …! callarse = zijn / haar mond houden el valle = het dal el mapa = de landkaart Yo qué sé. = Weet ik veel. quedarse = blijven ¡Anda! = Kom op! apuntarse = zich aanmelden / meedoen estar loco = gek zijn apagar = uitschakelen / uitdoen la luz = het licht pronto = snel Buenas noches. = Welterusten.