llevarse bien con llevarse mal con Hoy no es mi día.
pasar a darse prisa de sobra
el beso el abrigo el favor
hacer un favor a ¡Hazme el favor y …! callarse
el valle el mapa Yo qué sé.
quedarse ¡Anda! apuntarse
estar loco apagar la luz
pronto Buenas noches.
Het is vandaag niet mijn dag. het slecht kunnen vinden met het goed kunnen vinden met
genoeg / in overvloed opschieten / zich haasten geven aan
het plezier / de dienst de jas de kus
zijn / haar mond houden Doe me een plezier en …! een plezier doen aan
Weet ik veel. de landkaart het dal
zich aanmelden / meedoen Kom op! blijven
het licht uitschakelen / uitdoen gek zijn
Welterusten. snel