Spaans : Nederlands ESO = middelbare school estar de visita (en) = op bezoek zijn (in) el sistema escolar = het onderwijssysteem la guardería = het kinderdagverblijf la escuela infantil = de kleuterschool la mayoría (de) = de meerderheid (van) / de meeste la educación = het onderwijs / de opleiding la educación secundaria = het voortgezet onderwijs secundario = secundair / tweede obligatorio = verplicht el bachillerato = bovenbouw van de middelbare school la prueba = de toets / het examen el acceso = de toelating la prueba de acceso = het toelatingsexamen las PAU = toelatingsexamen voor de universiteit la opción = de keus / het alternatief la formación = de opleiding profesional = beroeps- / vak- / professioneel la formación profesional = het beroepsonderwijs / de vakopleiding último = laatste ¡No, hombre! = Nee hoor! a finales de = eind junio = juni septiembre = september despacio = langzaam querer = willen morirse de hambre = vergaan van de honger a lo mejor = misschien tutear = met jij en jou aanspreken increíble = ongelooflijk