Spaans : Nederlands el mal humor = het slechte humeur desagradable = onaangenaam dejar con la palabra en la boca = niet uit laten praten la cita = de afspraak el sonido = het geluid impedir = verhinderen / beletten la orientadora escolar / [el orientador escolar] = de beroepskeuzeadviseur [la orientadora escolar] / el orientador escolar = de beroepskeuzeadviseur bajar las escaleras = de trappen naar beneden gaan a gran velocidad = met grote snelheid in grote haast a todo volumen = heel hard / heel luid debido a que = doordat creerse con el derecho de = het recht denken te hebben om tocar = aan de beurt zijn om de camino a = op weg naar vivir ignorando = geen weet hebben van ignorar = niet weten / onbekend zijn met pasar por delante de = voorbijgaan aan lopen langs sudar = zweten insoportable = ondraaglijk esforzarse = zijn / haar best doen abandonar = verlaten la posibilidad = de mogelijkheid el motivo = de reden injusto = onrechtvaardig memorizar = uit het hoofd leren inútil = nutteloos darse bien a = iets goed kunnen la pérdida de tiempo = de tijdverspilling el caso = het geval apasionar a = hartstochtelijk houden van poco antes de = kort voordat el precio = de prijs pensar = van plan zijn te igual de = net zo als aclarar = verhelderen / verduidelijken dar un paso = een stap zetten