Spaans : Nederlands ¿qué? = Wat? ¿qué significa …? = Wat betekent …? vale = oké ¿cómo? = Hoe? ¿cómo se dice …? = Hoe zeg je …? en español = in het Spaans ¿cómo se escribe? = Hoe schrijf je … ? la ventana = het raam gracias = bedankt con = met la be = de b o = of la uve = de v no = niet / nee / geen no sé = ik weet niet qué = wat hacer = doen / maken esta tarde = vanmiddag puedes (ue) = kun je poder = kunnen hablar más alto = harder praten hablar = praten por favor = alsjeblieft lo siento = het spijt me no lo sé = ik weet het niet sabes = weet je saber = weten tampoco = ook niet ¿dónde está? = Waar is … ? hablar más despacio = langzamer praten en = in el español = het Spaans el cuaderno = het schrift la página = de pagina / de bladzijde el ejercicio = de oefening / de opdracht