Spaans : Nederlands el estudiante = de student llamarse = heten soy = ik ben ser = zijn rumano = Roemeens el enfermero = de verpleegkundige la clínica = de kliniek brasileño = Braziliaans el socorrista = de reddingswerker holandés = Nederlands la arquitectura = de architectuur estadounidense = uit de Verenigde Staten / Amerikaans trabajo de = ik werk als trabajar = werken el camarero = de ober / de serveerster el bar = de bar / het café mi / mis = mijn el nombre = de naam es (ser) = is argentino = Argentijns el profesor = de docent la profesora = de docente de = uit / van Amberes = Antwerpen belga = Belgisch el bibliotecario = de bibliothecaris completar = aanvullen la ficha = het kaartje la nacionalidad = de nationaliteit la profesión = het beroep tu / tus = jouw luego = daarna / vervolgens preséntate = stel jezelf voor presentarse = zich voorstellen