Spaans : Nederlands la cosa = het ding la clase = de klas conocer (zc) = (leren) kennen la tele = de tv la silla = de stoel el proyector = de projector la papelera = de prullenbak el bolígrafo = de pen el ordenador = de computer la pizarra = het schoolbord la mesa = de tafel el libro = het boek la mochila = de rugzak la hoja de papel = het vel papier ¿cómo se pronuncia? = Hoe spreek je … uit? pronunciar = uitspreken