Spaans : Nederlands la afición = de hobby aquí = hier tienes = heb je tener = hebben la lista = de lijst cocinar = koken ver / la tele = tv-kijken esquiar = skiën ir al gimnasio = naar de sportschool gaan cantar = zingen bailar = dansen leer = lezen el fútbol = het voetbal viajar = reizen escribir = schrijven el tenis = het tennis tocar la guitarra = gitaarspelen subraya = onderstreep subrayar = onderstrepen el verbo = het werkwoord la lista = de lijst anterior = voorafgaand