Spaans : Nederlands la fiesta = het feest ha organizado = heeft georganiseerd organizar = organiseren el alumno = de leerling alguno = sommige / een paar otra vez = nog een keer de nuevo = opnieuw la frase = de zin estar = zijn / zich bevinden ¿a qué os dedicáis? = wat doen jullie (voor werk / studie)? dedicarse a = zich wijden aan sois (ser) = jullie zijn