el fin de semana la semana el plan
nadar ir al cine ir a una exposición
salir (g) de noche dormir (ue) correr
jugar (ue) videojuegos hacer fotos ir de compras
ir de excursión montar en bici próximo
también pues
het plan de week het weekend
naar een tentoonstelling gaan naar de bioscoop gaan zwemmen
rennen slapen uitgaan
winkelen foto’s maken videospelletjes spelen
volgende fietsen een uitstapje maken
nou ook