Spaans : Nederlands todo = alle / de hele la persona = de persoon por = vanwege / om / door su / sus = zijn / haar / uw / hun el trabajo = het werk Sudamérica = Zuid-Amerika porque = omdat el novio = de vriend / het vriendje colombiano = Colombiaans chatear = chatten para + inf = om te + infinitief vivir (en) = wonen (in)