Spaans : Nederlands la actividad = de activiteit se ofrecen = worden aangeboden ofrecer (zc) = aanbieden el curso = de cursus la cocina = de keuken / het koken el teatro = het theater el baile = de dans la salsa = de salsa el flamenco = de flamenco el merengue = de merengue la literatura = de literatuur latinoamericano = Latijns-Amerikaans la guitarra = de gitaar la pronunciación = de uitspraak el club = de club social = sociaal la noche = de nacht el jueves = de donderdag el partido = de wedstrijd la liga = de competitie el martes = de dinsdag el club de lectura = de leesclub cultural = cultureel la película = de film el secreto = het geheim el ojo = het oog la exposición = de tentoonstelling sobre = over el diseño = het ontwerp el intercambio = de uitwisseling la clase = de klas / de groep particular = privé / particulier practicar = oefenen conmigo = met mij nativo = moedertaalsprekend / native la experiencia = de ervaring comparar = vergelijken la respuesta = het antwoord ir a = gaan naar ver = kijken / zien el grupo = de groep el programa = het programma vuestro = jullie (bezittelijk voornaamwoord)