Spaans : Nederlands el chat = de chat buscar = zoeken alguien = iemand chileno = Chileens el neerlandés = het Nederlands la farmacia = de farmacie / de apotheek bien = goed (bijwoord) casi = bijna todo = alles pero = maar mejor = beter más = meer el chico = de jongen la chica = het meisje siempre = altijd la forma = de vorm conjugar = vervoegen